Beijing III: Catch 22 & De Slet

Beijing III: Catch 22 & De Slet

catch22

De stad ligt aan mijn voeten. Letterlijk, ligt zij aan mijn voeten. Ik snap niet hoe ik het ooit vergeten was, maar terwijl ik op een zonnige middag de straten van Beijing afloop herinner ik mij plots ook weer de geuren en kleuren van Shanghai en Singapore. Hoe kon ik vergeten dat doelloos rondlopen in vreemde steden eigenlijk een van mijn favoriete bezigheden was? Ik las laatst dat sommige mensen pas echt het gevoel krijgen dat ze leven als ze reizen of in het buitenland zijn, omdat je op die momenten volledig in beslag genomen wordt door je zintuigen en de ervaringen van het moment. Je let zo op wat je ruikt, wat je ziet en waar je loopt, dat je verder geen ruimte in je hoofd hebt om te piekeren of te denken aan het verleden of de toekomst. Je leeft op die tijden in het heden. Ik denk dat ik een van die mensen ben.

Het is een simpel genoegen om even het duurste hotel van Beijing binnen te lopen en te doen alsof je een gast bent. Gedurende je korte wandeling in het hotel is het noodzaak om zoveel mogelijk portiers, van wie de goudkleurige manchetknopen je tegemoet blinken, de deur voor je open te laten houden en je een ‘good day madam’ te laten wensen. Wanneer je in Beijing vervolgens buiten tevreden voorbij de schitterende Cartiers en Tiffany’s loopt stap je bijna in de drol van een kleuter: een oma heeft haar kleinkind zojuist midden op straat laten poepen. Dat gaat wel zo makkelijk, want veel kinderen lopen hier niet met een luier rond, maar met een open gat in de broek.
Diamanten en kleuterpoep.
Wat een stad.

Ik ben nu, na twee maanden, pas echt begonnen hier te wonen. De stress in Nederland, de chaos van het Holland Heineken House en mijn opstartperiode in Beijing liggen nu achter me. De visumzaken zijn rond, de eerste elektriciteitsrekening is betaald, de vrouwtjes van de supermarkt weten wie ik ben. I am ready to be a Beijinger.

Voor ik hier kwam wonen had ik veel verwacht van Beijing, en was op alles voorbereid. Het volgende heeft me desalniettemin verrast: het maakt in dit bureaucratisch strenge land soms opeens helemaal niet uit wat je doet. Je kan je dagenlang in je appartement verstoppen, je kan dronken op een bar dansen, je kan keihard zingen in een taxi, je kan in je joggingpak een trendy kroeg binnenlopen, je kan midden op een snelweg lopen, je kan schreeuwen tegen obers of een blikje cola van de supermarkt midden in een restaurant opdrinken. Het maakt de Chinezen allemaal niet uit wat je doet. Ze doen vaak zelf immers ook allemaal maar wat. Voor sommige buitenlanders in Beijing is deze ‘vrijheid’ een enorme valkuil.

“I’ve been in China for four years and I feel like a fucking loser.” Het is P., een Spaanse journalist, die spreekt. Na vier jaar vindt hij trots in het feit dat hij in het Chinees ‘dankjewel’, ‘bier’ en ‘tot ziens’ kan zeggen. Hij zag zijn tijd in China tot voor kort als een groot feest, maar nu hij zich beseft dat hij een dezer dagen zijn leven in Spanje moet aangaan zinkt de moed hem in de schoenen. Hij is een classic case binnen het groepje buitenlanders die te lang zijn blijven hangen in Beijing zonder enig concreet doel. Zolang zij hier zijn kunnen zij als ‘rijke stinkerd’ al hun vrienden op liters drank trakteren voor een totaalbedrag van twee euro. Zij kunnen een Chinees liefje op elke straathoek vinden. Zij worden door elke Beijinger geprijsd om hun taalkennis vanwege de perfecte uitspraak van het woordje ‘asbak’ en kunnen zonder problemen wegkomen met uit de hand gelopen kwajongensstreken. Kortom, zij zijn hier de koning te rijk. Als de tijd is aangebroken huiswaarts te keren beseffen zij zich dat zij thuis opeens niet meer zo rijk, knap of intelligent zijn, en voelen zij zich een loser.
Het is een typische ‘Catch 22’. Deze mensen ontvluchten het thuisfront om iets of iemand te zijn. Zij gaan Het Grote Avontuur aan in het verre China, wat hen ergens het stukje stoerheid geeft wat zij altijd al misten. Eenmaal woonachtig in Beijing stelt het Avontuur opeens niet veel meer voor dan de twee kroegen en die ene nachtclub die zij keer op keer bezoeken omdat het personeel daar tenminste weet wat een ‘wodka orangejuice’ is. Om naar het thuisfront toe de illusie van het Grote Avontuur in stand te houden moeten zij hier steeds langer blijven, om te voorkomen dat ouders of vrienden er achter komen dat zij geen stap verder gekomen zijn. Dromen die nooit zijn waargemaakt en ideaalbeelden die krampachtig in stand gehouden worden: deze buitenlanders blijven een geval apart. Op deze manier, met een been in China, het andere in het moederland, komt het nooit goed. Het is een perpetuum mobile van illusies. “Here I can get drunk and dance on the table and nobody will judge me for it”, zegt P.: “It doesn’t matter. You’re just a stupid ‘laowai’, a stupid foreigner, that’s all.”

Loser of geen loser, je blijft als laowai (buitenlander) altijd een apart geval in China. Zo ben ik vanmiddag nog van supermarkt naar supermarkt gegaan, op zoek naar iets simpels als een blikopener voor een geimporteerd blik pastasaus. Bij gebrek aan woordkennis sta ik vervolgens aan giechelend winkelpersoneel met handen en voeten uit te leggen wat ik bedoel. Die Chinezen die zijn niet dom; die hebben al jaren geleden bedacht dat alle blikjes gewoon met een lipje open getrokken moeten worden. Conclusie van het verhaal is dat ik voortaan gewoon trekblikjes moet kopen, dat er geen blikopeners zijn en dat die Chinezen aan het avondeten weer kunnen vertellen dat zo’n domme buitenlander een potje ‘Hints’ heeft staan spelen midden in de supermarkt.

Hoe makkelijk en vrij het leven in Beijing soms is, zo frustrerend en ontoegankelijk is het tegelijkertijd. Beijing is enerzijds een slet, anderzijds een onbereikbare dame.

De stad liet me in de eerste weken kennis maken met een bureaucratie waar je onpasselijk van wordt. Te pas en te onpas moest ik een pasje hebben. Een pasje voor de universiteit, een pasje voor de campus, een apart pasje voor de bibliotheek, een pasje voor internet, een pasje voor elektriciteit, een papiertje voor zus en een stempeltje voor zo. Voor mijn visum werd ik van het kastje naar de muur gestuurd. Zo kwam het meerdere keren voor dat ik een uur stond te wachten op een stempel en toch weer de volgende dag moest terugkomen. De volgende dag werd ik weer doorverwezen naar een ander tijdstip. Voor registraties heb ik zowel de buurt-, wijk- als regionale politiebureaus moeten bezoeken. Gezondheidsrapportages en schooldiploma’s, het is allemaal onder de loep genomen.
Maar ik heb het wel door. Ik moet wachten, ik moet smeken. Ik sta soms voor dichte deuren tot de stad mij weer een klein beetje geeft waardoor ik alleen maar meer wil. Beijing speelt ‘hard to get’ en laat niet zomaar met zich sollen.
En gelijk heeft ze. Zo heeft de stad naast de sletterige louche barstraatjes en massagesalons bijvoorbeeld een scala aan nationale schatten te bieden waarbij de Nederlandse windmolens in het niet vallen.

De Verboden Stad vormt het centrum van Beijing. Van 1420 tot 1911 was dit de plek waar de keizer woonde met zijn hele huishouden. De ‘stad’ van 720.000 vierkante meter is nu toegankelijk voor publiek. Urenlang kan je rondlopen en verdwalen in de hofjes, tuinen en pleinen die bewandeld zijn door 24 keizers gedurende de Ming en Qing dynastieën. Maar Beijing barst van ongelooflijk mooie historische plekken. De Lamatempel, het Zomerpaleis of de Temple of Heaven zijn stuk voor stuk juwelen van de stad. Vanaf vijf uur in de ochtend verzamelen de ouderen van de stad zich voor de tempel om hun ochtendoefeningen te doen.

Het is me opgevallen dat de ouderen hier zoveel meer deel uitmaken van het leven dan in Nederland. De hele dag door zijn de bejaarden actief. Ze wandelen rond met hun kleinkind, ontmoeten oude vrienden op de vele sportveldjes, worden in rolstoel rondgereden door hun dochter of zijn op de markt op zoek naar de perfecte appels. Zelfs de meest verschrompelde oude Chineesjes zitten om zeven uur ’s morgens al op de fiets als ze dat nog kunnen; oma of opa zit vaak zelfs achterop. En dat betekent dat ze lef hebben, neem dat van mij aan: ik heb sinds enige tijd ook een fiets.

Elke ochtend fiets ik via de basketbalvelden en de megakantoren van Google en Microsoft naar mijn universiteit. Het fietsritje is elke ochtend weer een avontuur. Terwijl taxi’s toeterend in de file staan wurmen honderden fietsers zich langs hen heen. Het verkeer in China past goed bij mij; Nederlandse verkeersregels waren nooit mijn sterkste punt. Hier mag je elkaar genadeloos afsnijden, je kan zowel links als rechts inhalen, je gaat keihard door rood, je kan mensen aanrijden zonder enig onvertogen woord en kan continu blijven rammen op je fietsbel. Hier en daar botst een scooter tegen een paal aan of verliest een bakfiets zijn lading van houten kisten door de brutale acties van andere verkeersdeelnemers. Het is een ongeschreven regel in Beijing: we mogen allemaal zo onbeschoft mogelijk rijden, maar als er dan iets gebeurt hoeft niemand zich te verontschuldigen en moet niemand er over zeuren. De politie staat langs de weg en kijkt passief toe hoe alles in het honderd lijkt te lopen maar toch net goed gaat.

De stad ligt aan mijn voeten. En die stad is groot, ongelooflijk groot. Nog groter nu ik ontdekt heb dat de stad niet alleen aan, maar ook onder mijn voeten ligt.
Vriend R. is zojuist vanuit het binnenland van China verhuist naar de Grote Stad, en ik werd uitgenodigd een kijkje te nemen in zijn tijdelijke slaapvertrek. Ik was stomverbaasd dat hij me voor de ingang van zijn kamer verwees naar een plaatselijk groenteboertje. Langs de Chinese kool en trossen bananen bleek zich plotseling een deurtje te bevinden dat leidde naar een trappenhuis. Ik voelde me net Alice in Wonderland die in het konijnenhol viel toen hij me verdieping na verdieping onder de grond leidde tot een deur van een meter dik. Net als op een bankkluis zat er een stalen draaiwiel aan de poort. De dikke deur vormde de ingang tot een doolhofje aan gangetjes met kleine bunkers: elk bunkertje had een bed en een TL-lamp. Hier, in een van de cellen, sliep R., voor 45 euro in de maand.
Beijing heeft velen van dit soort ondergrondse vertrekken. Het zijn de overblijfsels uit de tijd dat men een atoombom vreesde en uit voorzorg een ondergrondse stad aanlegde die bestand was tegen nucleaire wapens. Tegenwoordig vormen de schuilkelders een praktisch verblijf voor studenten of restaurantbediendes die krap bij kas zitten en niets meer nodig hebben dan een dak boven hun hoofd.
In de steriele gang, die slechts verlicht wordt door een flikkerend peertje, zit een oud stel een kopje noedelsoep te eten. Plots bevangen door lichte claustrofobie begeef ik me weer door de dikke deur, de trappen op, langs de bananen naar de smoggy buitenlucht van de stad.
Ik ben benieuwd wat voor een geheimen Beijing nog meer voor me in petto heeft.

Chinese vrienden heb ik tot dusver nog niet echt gemaakt. Op straat of in bars word ik vaak aangesproken door enthousiaste studenten die zich trots voorstellen met hun zelfbedachte Engelse namen (varieerend van Edward tot Summer tot Aerowolf). Natuurlijk wil ik mijn taalkennis verbeteren door om te gaan met locals, maar juist als je denkt dat je Chinese vrienden maakt blijkt dat ze alleen maar Engels met je willen spreken voor studiedoeleinden. En zo bevind ik me wat dat betreft in mijn eigen Catch 22: heb je eindelijk local vrienden, spreek je alleen maar Engels, terwijl de beste weg naar de echte Chinese taal toch juist bij hen ligt, en niet in mijn studieboeken. Misschien moet ik toch maar eens een belletje gaan plegen naar de jongens die ik een tijd geleden op straat ontmoette. Zij spreken immers geen Engels, alleen maar Chinees. Voor hun namen alleen zou ik al een vriendschap moeten initieren. Wie kan er namelijk nou zeggen bevriend te zijn met ‘Kleine Regen’ en ‘Kleine Wind’?

Wat mijn eigen Chinese naam betreft- ik heet ‘Xiaoman’, oftwel; ‘Kleine Elegantie’. In Beijing kennen ze mij niet anders, zo staat het in mijn schoolpaspoort, op al mijn pasjes en formulieren, en zelfs bij de gemeente. En zo heb ik me, op mijn 24e, stiekem toch nog een nieuwe identiteit aan weten te meten. Mijn naam is Xiaoman, en ik woon in een stad vol valkuilen, kelders, en verrassingen. Laat de rest van mijn jaar in Beijing maar komen. Ik kan niet wachten.

Ik heb een blik pastasaus en een hamer die in de keuken op mij liggen te wachten, dus tot de volgende keer,

Alle goeds,

Xiaoman.
28 Oktober 2008

PS Gisteren heb ik sinds de Olympische Spelen voor een tweede keer even met Premier Balkenende mogen praten; hij was op bezoek in Beijing en heeft onder andere mijn universiteit bezocht. Hierbij de foto van Premier Balkenende, het hoofd van Peking University en alle Nederlandse studenten aan dit instituut (zowel Sinologen van Leiden als studenten Business uit o.a. Rotterdam).

Print Friendly, PDF & Email

Tags: ,

Top