Beijing IV: Het is Eenzaam aan de Tap

Beijing IV: Het is Eenzaam aan de Tap

eenzaamaantap

Ik ben in mijn hoofd weer helemaal terug bij mijn eerste liefde; mijn grote liefde, waar het ooit allemaal begon. Het is een beetje zoals Mandela eens zei: There is nothing like returning to a place that remains unchanged to find the ways in which you yourself have altered. Ik zie nu al hoe China mij hier en daar veranderd heeft. Mijn eerste liefde was nog steeds dezelfde: betrouwbaar, lief, rustig, en eerlijk. China, het Wilde Westen van Azie, heeft mij wat losser gemaakt, waardoor mijn eerste liefde mij opeens ietwat burgelijk en braaf voorkwam, maar desalniettemin, voorkomend en warm.

Ik was afgelopen week terug in Tokyo. Terwijl de mensen daar rustig voor een rood stoplicht wachtten op een uitgestorven straat stak ik steeds vlug over. De wachtende rij voor de lift sneed ik genadeloos af en de vrije zitplaats in de metro pikte ik direct in. Beijing heeft mij misschien niet eens zozeer wilder, als dan wel brutaler en onbeschofter gemaakt. Nu ik terug was in een van de meest beschaafde en beleefde culturen die ik ken, merkte ik kanten van mezelf op die ik eerder niet zag.

Ik hou van Japan. Japan is het land waar ik wijzer en ouder ben geworden, Japan is het land dat me leerde dat dingen ook anders kunnen. Japan is, echt, mijn eerste grote liefde. Maar toch, als je me nu vraagt te kiezen tussen China en Japan, zou ik geen antwoord kunnen geven. Oude liefde roest niet, maar maakt wel plaats voor nieuwe liefdes.

Vanuit een café in Ginza, het chique gedeelte van Tokyo, kijk ik uit het raam. De letters van Gucci en Chanel schitteren me tegemoet. De mensen die op straat lopen zien er piekfijn uit; de heren met glimmende schoenen en strakke pakken, de vrouwen met perfect gestyled haar en hippe handtasjes. De straten zijn brandschoon, de kerstboompjes staan in een kaarsrechte lijn langs het trottoir. Zoals ik me in Japan nu weer verbaasde over de ongelooflijke hoffelijkheid van de mensen en het buitengewone perfectionisme dat duidelijk zichtbaar is in het straatbeeld, zo verbaas ik me in Beijing nog dagelijks over het rommelige en ietwat lakse karakter van de Chinese cultuur.

De ‘rommeligheid’ waar ik van spreek werd me voornamelijk duidelijk toen ik een paar weken geleden samen met Britta en Simon een Chinese bruiloft bijwoonde. Britta, Simon en ik zijn de drie Nederlandse musketiers van Wudaokou (de studentenbuurt van Beijing). B. en S. wonen daar op nummer nog-wat in een van de roze flats. Ik noem hun appartement vaak ons ‘clubhuis’. Wanneer ik op mijn paarse fietsje door de snijdende kou richting huis ga, en roggelende aardappelverkopers en platgereden hondjes voorbij fiets, maak ik vaak een stop op nummer nog-wat. In het clubhuis voel ik me thuis, en kan ik de razende drukte van Beijing even achter me laten.

In het clubhuisje vormen wij een kleine thuishaven in Beijing, waar Amsterdam, Haarlem en Eindhoven moeiteloos samengaan. Dit is de plek waar Simon hier en daar een stukje Carmiggelt citeert, waar we samen een biertje drinken, en waar we ons voornamelijk verbazen over de wonderen van de Nederlandse taal, die ons, na vier maanden China, soms vreemd in de oren klinkt. Het is de normaalste zaak van de wereld dat mensen het clubhuis in en uitgaan. Stacy, een 18-jarig Chinees meisje uit New Jersey, ligt hier zo nu en dan op de bank te slapen terwijl de kleine Ryan, een elfje uit Alaska, om de haverklap binnen komt lopen. D. en L., twee jongens uit het zuidelijke deel van China, zitten hier om onverklaarbare redenen vaak voor de tv tekenfilms te kijken, terwijl de kittige Y. op de grond met haar freggle-achtige hondje Meimei speelt. Het wil nog wel eens gebeuren dat de documentairemaker uit Madrid ergens in een hoekje zit te filmen. Het is een drukte van jewelste.

Het was D. die ons onlangs uitnodigde mee te gaan naar de bruiloft van zijn beste vriend in Chengdu. We wilden wel gaan, maar hadden alledrie niet zoveel geld. “We zijn armoedzaaiers,” zei Simon. “Nee Simon,” zei Britta: “Je moet het omdraaien. We zijn welvaartsoogsters.” En dus, besloten wij als welvaartsoogsters, het vliegtuig te pakken naar Chengdu en de bruiloft bij te wonen.

Chengdu is een stad in de provincie Sichuan, op 2,5 uur vliegafstand van Beijing. Het verkeer is hier op raadselachtige wijze nog gevaarlijker dan in Beijing maar de sfeer is gemoedelijk. De stad ligt in het zuiden van China, en daarmee is het weer aangenamer, het eten pittiger, en zijn de mensen mooier. Na afgewezen te zijn bij het eerste hotel (“buitenlanders verboden”), kwamen we terecht in een ruime kamer in hartje centrum voor 16 euro per nacht. De kamers waren ook per uur te huur en in de badkamer bevond zich vreemd genoeg een ruime collectie condooms in diverse kleuren, smaken en vormen. Wij vonden het allang best en maakten ons op voor de bachelorparty van de bruidegom.

Een Chinese bachelorparty, wat moesten we er ons eigenlijk bij voorstellen? Terwijl we op straat liepen bedachten we ons diverse scenario’s. Britta voelde zich niet op haar gemak: we leken wel de enige buitenlanders in Chengdu en overal werden we nagestaard en werden er ongevraagd foto’s van ons genomen. D. bracht ons naar een buitenwijk van de stad waar de konijnen op straat gegrild werden en er grote posters van Mao uitgestald lagen. In een achteraf straatje liepen we een schoolgebouw binnen. Op de vijfde verdieping bevond zich het appartement van de bruidegom. In een rokerige kamer zaten twintig jongens op de bank, voor de tv. Een vogeltje schreeuwde vanuit zijn kooi op de grond. Onwennig gingen Simon, Britta en ik op een bankje zitten. De Chinezen in de kamer leken ons nauwelijks op te merken, ze waren te druk met water drinken en snoepjes eten terwijl hun ogen op de tv gericht waren. Britta en ik keken elkaar aan en schoten in de lach: ‘Waar zijn we in godsnaam beland?’ vroeg ik. Het was ongeveer op dit punt dat de ‘rommeligheid’ waar ik van sprak zich duidelijk begon te manifesteren. Ik zal de gebeurtenissen van deze avond en opvolgende dag hier zo bondig mogelijk noteren.

Britta, Simon en ik zitten dus in de rokerige kamer waar de vogel de longen uit zijn kleine lijfje schreeuwt. Een half uur na onze binnenkomst, die nog altijd onopgemerkt voorbij gegaan is, staan alle gasten opeens op. We gaan naar een karaokebar, besluiten ze. Wij mogen meerijden in de auto van de bruidegom, die er, in zijn blauwe joggingpak, bijzonder relaxed uitziet.
De karaokebar is een ander fenomeen dan wij in het westen meestal denken. Bij de receptie mag je een kamer uitkiezen, van groot naar klein, van luxe tot normaal. Deze kamers huur je voor een paar uur waarbij je wat gratis drank of eten krijgt. Behalve een muziekinstallatie is er in chiquere gelegenheden ook een computer om spelletjes op te spelen en bovendien heb je een privé-toilet.
Voor deze bachelorparty krijgen we de meest grote en luxe karaoke kamer, waar de water-drinkende jongens opeens overgaan op whisky, waar de muziek keihard aan gaat en de bruidegom uit het niks begint te dansen in zijn joggingpakje. Het feest is per direct begonnen, en er wordt al druk geknutseld aan ingenieuze waterpijp installaties met rietjes, plastic flesjes en aluminiumpapier. Voordat we het weten zit een stel Chinezen met wit poeder en vuur al lekker te ‘Chinezen’. De bediendes van de karaokebar lopen voorbij alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ik besluit me maar op het bier te storten. Verstand op nul, doen alsof we het allemaal maar normaal vinden, meezingen en meedansen: de beste manier om je te gedragen in dergelijke situaties.

Een paar uur later is de bruidegom zowel dronken als high. B., S. en ik houden het voor gezien, maar het gezelschap gaat door. Het is de bedoeling dat zij de hele nacht opblijven. Om half zes in de ochtend moeten zij namelijk naar het huis van de bruid. De bruidegom moet haar daar uit het huis ‘roven’ en meenemen in zijn auto. Ze zullen rondjes gaan rijden door de stad tot de bruiloft aanvangt. Ik wens de bruidegom, die me met waterige oogjes aankijkt, veel succes.

De volgende ochtend doet de bruiloft ons nog meer versteld staan dan het feestje ervoor. Katerig en moe haasten wij ons naar een groot hotel voor de ceremonie, die, zoals ons verteld is, om tien uur zou beginnen. Bij aankomst blijkt echter dat de huwelijksgasten allemaal in en rond het hotel staan te roken, thee zitten te drinken of kaartspelletjes aan het doen zijn. We vragen ons af of we nu te vroeg of te laat zijn, maar D., die tevens getuige is, verzekert ons al gapend dat we precies op tijd zijn. De bruid staat een beetje te tutten bij de ingang en overal zijn mensen aan het ‘chillen’. In onze simpele jurkjes voelen B. en ik ons bijna overdressed: de meeste gasten hebben hun dagelijkse kloffie aan, sommigen lijken zelfs in hun huispak te zijn gekomen.
Als huwelijkscadeau hebben B., S. en ik een rode envelop met 666 RMB meegenomen, een geluksnummer en een correct cadeau, zoals ons verteld is. Aangezien er geen specifiek moment is om dit te geven, houden we de bruidegom aan wanneer we hem zien en geven hem de envelop, die hij lachend in zijn binnenzak steekt.
De eerste twee a drie uur drinkt iedereen zich misselijk aan de groene thee en eet zich suf aan de zonnebloempitten. Rond een uur of een weet iedereen opeens dat het tijd is en maakt aanstalten naar buiten te gaan. B., S. en ik volgen de andere gasten gedwee. Als de hele groep buiten staat, begeeft het bruidspaar zich over een rode loper opeens tussen de zeepbellen door richting het ‘altaar’: een prieeltje dat zo door kan gaan voor een protserig decorstuk uit de Honeymoon Quiz.
De bruid, gekleed in een popperige witte jurk, staat huilend naast de bruidegom terwijl een presentatrice luidkeels in de microfoon blert: “We zijn hier allen bijeen gekomen om het huwelijk van X. En F. in te luiden! Wat een mooie dag!” Bij Bruid X. stromen de tranen onophoudelijk over haar wangen. “F, neem jij X. tot vrouw?!” F. roept luidkeels ‘ja’ in de microfoon. “X., neem jij F. tot je man?!” X. fluistert snikkend ‘ja’. De zeepbellen en clichématige achtergrondmuziekjes gaan onverstoord door. B., S. en ik kijken elkaar verbaasd aan: is dit de ceremonie? Het doet ons ergens denken aan een generale repetitie voor een overdreven klucht. Achter ons staat een vrouw rustig te breien, terwijl ze hier en daar een blik op het bruidspaar werpt. Anderen staan te roken of kletsen een beetje. De presentatrice kondigt aan dat het tijd wordt de ouders van het bruidspaar erbij te halen voor de Chinese theeceremonie, waarbij het pasgetrouwde stel een kop thee geeft aan de ouders als blijk van dank. De ouders van X. zijn nergens te bekennen. De presentatrice roept een paar keer door de microfoon en probeert de tijd een beetje vol te praten. Terwijl ik al een rood hoofd van plaatsvervangende schaamte krijg, lijken de gasten het de normaalste zaak van de wereld te vinden dat de ouders van de bruid blijkbaar niet aanwezig zijn. Vijf minuten later komen X’s ouders aan hobbelen vanuit het hotel; moeders heeft een zwarte joggingbroek aan, vaders gooit nog snel even zijn peuk weg. Bruidegom F. wrijft in zijn ogen: hij is doodmoe. Als de ceremonie is afgelopen wordt er zo snel mogelijk champagne ingeschonken, die niet gedronken wordt, en wordt de bruidstaart aangesneden, die niet gegeten wordt. De bruidsgasten hebben deze quasi westerse rituelen niet afgewacht: zij zijn inmiddels al vliegensvlug naar de buffetzaal gelopen voor de lunch. B., S. en ik staan verloren op de verlaten rode loper, in complete verwarring. Britta zucht: “Hoe ga ik dit nou weer aan thuis vertellen? Het valt gewoon niet over te brengen, deze dag!” Simon haalt zijn schouders op en steekt een sigaret op: “Lauwe kankabaasjes, hier,” zegt hij, Amsterdams als altijd.
De tweehonderd huwelijksgasten nemen bij de lunch plaats aan diverse grote ronde tafels. Terwijl de gerechten met vis, eendenvlees en dimsum aan een stuk door op tafel worden gezet brengen de gasten de een na de andere toost uit. Het is keer op keer de bedoeling dat het glas Chinese rode wijn in een teug naar achter wordt geklokt. Na vier glazen sta ik al behoorlijk op mijn kop, en aan de rode gezichten van de andere gasten te zien, ben ik niet de enige. Een uur later staat iedereen plotseling weer op. We haasten ons om met de meute mee te lopen. Als Simon in de chaos een volle fles wijn op de grond laat vallen plassen Britta en ik zowat in ons broek van het lachen. We zijn zo duidelijk buitenstaanders op deze dag dat het ons allang niet meer kan schelen. “Laten we maar gewoon door blijven drinken,” besluiten we.
De rest van de middag zitten de Chinezen buiten aan tafeltjes mahjong te spelen en thee te drinken. Wij vragen ons af of het gepast is om terug naar het hotel te gaan, maar D. maakt ons duidelijk dat er van ons verwacht wordt te blijven tot het avondeten. B., S. en ik zijn vastberaden om door te blijven drinken tot de onvermijdelijke lunchkater in komt dalen. We zijn zo in verwarring over wat wel kan en niet kan, wanneer iets is afgelopen of wanneer iets is begonnen, wie waarbij hoort, wanneer iets nu gewoon ‘raar’ , of gewoon ‘cultuur’ is, dat we het allemaal niet meer weten. We zijn op zoek naar bier of wijn, en vinden het. Niemand anders drinkt echter. We besluiten de domme buitenlanders te zijn, en drinken gestaag door. Simon trekt zijn conclusie: het is in China soms gewoon behoorlijk eenzaam aan de tap.

Aan het avondeten komt de bruid in spijkerbroek bij ons aan tafel zitten. De bruidegom is nergens te bekennen en de getuige weet ook niet waar hij is. De rode wijn wordt weer tevoorschijn gehaald, en het eten wordt snel naar binnen gewerkt. Aan andere tafels verdwijnen gasten al weer van het avondeten terwijl de rest nog aan het diner zit. Sigaretten worden aangestoken als de helft nog aan het eten is, en mensen lopen heen en weer rond de tafel. Ik wil opeens heel graag weg. Ik wil geen minuut langer blijven. We zijn van 10 uur ’s morgens tot 8 uur ’s avonds van de een in de andere verbazing gevallen, en ik ben moe van de indrukken en van de drank. B., S. en ik bedanken de bruid en vertrekken zo snel mogelijk.

Als we een uur later weer door het centrum van Chengdu lopen, zegt Britta opeens: “Ik denk dat Chengdu al aan ons gewend is.” De foto’s blijven uit en mensen kijken ook niet meer zo raar naar ons, lijkt wel. Misschien komt het inderdaad omdat ze al aan ons gewend zijn, misschien komt het wel omdat we, half lam, net zo doelloos en ‘rommelig’ door de straten lopen als de Chinezen om ons heen. “Het is een raar land,” zegt B. “Ik kan het ook niet helemaal plaatsen,” zegt S. wazig. Al konden we het allemaal niet helemaal plaatsen, al vonden we het alledrie allemaal een beetje raar, we hebben ons rot gelachen. Chengdu zullen we niet snel vergeten.

Beijing wordt kouder met de dag. Eind november gingen plotseling alle verwarmingen aan; een regeling die door de overheid getroffen wordt. Nu de kou inzet begeeft veel van jeugd in Beijing zich naar de internetcafe’s die 24 uur open zijn. Onze vriend R. woonde tot voor kort in een van de bunkers waar ik vorige keer over schreef, en hij bracht daarom het grotendeel van zijn tijd door in het café op de hoek. Ik was verbaasd toen ik hem een keer bezocht in dit café, gelegen in een enorme kelder aan een drukke straat: een ander soort ‘bunker’. Je kunt gerust spreken van een unieke ‘internetcafé cultuur’. Mensen mogen eventueel eigen kamertjes huren, maar de meesten zitten zij aan zij aan eindeloze rijen computers in de grote kelder. Gebruikers mogen kiezen op wat voor een soort stoelen zij willen zitten; grotere stoelen voor een hogere uurprijs. Hier zit de jeugd van Beijing dag en nacht online films te kijken, spelletjes te spelen, en McDonalds te eten. Hier en daar liggen studenten te slapen op bankjes. Aan de volle asbakken en grote tassen te zien zijn er veel mensen die het internet café als tijdelijk thuis hebben. Het is een gemeenschap op zich, waar mensen niet naar elkaar, maar naar het scherm kijken. Tussen alle rommel in kijkt een bejaarde man gefascineerd naar een online Chinese opera.

Ja, ik vind het vaak maar een rommeltje. Op Halloween sta ik als een van Charlie’s Angels in een strak rood jurkje met een grote zonnebril in een discotheek voor homoseksuelen. Homoseksualiteit is nog niet altijd even geaccepteerd in Beijing, maar in deze club kunnen de homo’s van de stad zich met name op Halloween uitleven in hun mooie kostuums. Terwijl ik op straat nog nooit twee mannen hand in hand heb zien lopen, zie ik hier opeens Batman met Spiderman zoenen, en een leernicht met een schooljongen dansen. Britta staat uitgelaten met een uitgedoste homo-Thai te praten. Onze R. is er opeens vandoor gegaan met een Koreaan in spokenpak. Ik kan mijn ‘Charlie’ nergens vinden en sta in mijn uppie aan de bar. Ik zucht, en bestel nog maar een biertje.
Het is wel vaker eenzaam aan de tap, in China.

Ik was, tijdens mijn verblijf in Japan, al snel weer gewend aan de taal en de cultuur. De zon scheen, de deur werd voor me open gehouden, en overal werd er vriendelijk naar me gelachen. Terwijl mijn moeder les gaf op de zevende verdieping van een warenhuis liep ik de straten van Nagoya af; ik voelde me weer helemaal thuis. Na een week kwam echter het moment van afscheid. Mijn moeder moest weer terug naar Nederland, ik weer terug naar Beijing. Op het vliegveld van Nagoya dronken we nog wat tot mijn moeder naar haar gate moest, en toen kwamen de tranen alweer snel. Het maakt niet uit hoe vaak je het doet, afscheid nemen blijft altijd emotioneel. Terwijl mijn moeder wegloopt komen flitsen voorbij van ons afscheid op Schiphol toen ik naar Japan vertrok, ons afscheid in Singapore toen ik alleen in de taxi naar mijn universiteit vertrok, of ons afscheid in Kyoto toen mijn moeder met de bus weg reed. Dat zijn de momenten waar op ik het leven in het buitenland het allermoeilijkst vindt, dat zijn de momenten waar op ik weet dat ik, hoewel Oost-Azie mij keer op keer weer trekt, uiteindelijk gewoon weer terug wil naar mijn stad, mijn Haarlem.

Terwijl Haarlem door mijn hoofd spookt, kom ik aan op het vliegveld van Beijing. Als ik uit het kleine vliegtuigje stap doet de snijdende vrieskou me bibberen. Een Chinese mevrouw botst tegen me aan en biedt geen excuses aan. De taxichauffeur schreeuwt dat hij me niet verstaat, en ik krijg weer tranen in mijn ogen als we de koude grote snelweg van Beijing opgaan. Eenmaal thuis lijkt mijn appartement opeens heel groot en leeg. Er ligt stof op de vloer en mijn cactus hangt er, verslagen door de winter, dood bij. Zelfs mijn goudvissen zijn er niet, die zijn nog steeds uit logeren bij de buurman. Rillend van de kou stap ik in mijn bedje, en dan zie ik opeens dat Snoopelien haar kopje uit mijn koffer steekt. Ik glimlach en neem haar bij me onder de dekens. In al mijn eenzame tijden was Snoopelien, mijn trouwe metgezellin, er altijd: een onmisbaar element in Manyapan.

Ik moet de volgende dag weer even wennen aan mijn Beijing. Al snel rolt de taal weer over mijn tong, en schijnt de winterzon op mijn bleke gezicht. Aan het eind van de dag stap ik een barretje in voor een glas wijn. Er is nog niemand te bekennen en ik geniet even van de stilte. Nippend aan mijn wijn, bedenk ik me dat ik een welvaartsoogster ben, en dat mijn leven, van Beijing tot Tokyo, van Nagoya tot Chengdu, soms best stormachtig prachtig is, en dat een beetje eenzaamheid aan de tap misschien precies is wat ik zo nu en dan nodig heb.

Proost!

Liefs,
Manya
(en de groeten van Snoopelien)

5 December 2008

Print Friendly, PDF & Email

Tags:

Post a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Top