Beijing V: Jeugdpuistjes in de Stad

Beijing V: Jeugdpuistjes in de Stad

jeugdpuistjes

De kerkklok om acht uur. De tram die voorbij komt. De krant die op de deurmat valt. De geluiden van de ochtend zijn zo vertrouwd dat je ze al bijna niet meer hoort. Tussen ontwaken en slapen heb je die momenten dat de geluiden zich langzaam in je dromen nestelen, tot je klaar bent om je ogen te openen en je dag te beginnen. Voor mij in Nederland waren het de geluiden van de eerste auto’s die door de straat rijden, en de stemmen van mijn ouders die in hun bed de krant lezen en hier en daar kibbelen over wiens beurt het is om de koffie te zetten. Pas nu snap ik hoe diep die dingen in je systeem zitten: nog elke ochtend voor ik echt wakker word, hoor ik de stem van mijn moeder, de stem van mijn vader, de auto die voorbij rijdt. Pas als de stemmen echt luid worden, en ik net begin te denken dat mijn ouders nu echt ruzie krijgen over de koffie, besef ik me dat ik China ben. De stemmen zijn van mijn buren, die elke ochtend voor mijn slaapkamerraam een onderonsje houden. Je zou bijna denken dat ze altijd ruzie hebben. Maar inmiddels weet ik beter; zo praten ze gewoon. En elke ochtend weet ik het weer. Ik ben niet in Nederland, ik ben thuis, in Beijing.

De harde winter is in Beijing van de een op andere dag gekomen. Mijn T-shirtje moest van maandag op dinsdag plaatsmaken voor een dikke wintertrui. De rochels op straat zijn veranderd in kleine ijspegeltjes. Ik laat mijn fietsje in de vrieskou meestal voor mijn deur staan en pak ’s morgens een taxi naar school. Ik ben er tot nog toe niet in geslaagd om mezelf ’s morgens de 355, de buslijn naar mijn universiteit, in te krijgen. De bus is zo vol dat de mensen er bijna uit vallen als de deuren open gaan. De buschauffeur schreeuwt het elke ochtend weer: “Er kan niemand meer bij!” Wie weet lukt het me morgen, denk ik steeds.

Ik zei in mijn vorige stukje al dat oude liefde plaats maakt voor nieuwe liefdes.
Ik ben verliefd geworden. Langzaam maar zeker, ondanks dat ik van irritatie naar irritatie ging, is het er toch ingeslopen. Ik weet nog dat ik op mijn 13e wist dat ik echt voor het eerst verliefd was toen ik zelfs de puistjes van mijn jeugdliefde bijzonder charmant vond. Zo is het met Beijing ook. De rokerige ranzige cafés, de vieze zwerfkatten voor mijn deur, de buschauffeur die ongegeneerd uit zijn raam spuugt. Het zijn dingen die deel van de stad uitmaken waar ik van ben gaan houden. Als ik ’s avonds uit het raam van de taxi de stad aan me voorbij zie gaan krijg ik vlinders in mijn buik. Ik probeer de beelden van de stad een voor een op mijn netvlies op te slaan. Ik weet namelijk dat als ik over een paar jaar terug kom in Beijing, de stad niet meer hetzelfde is. De veranderingen die de stad sinds 2004 heeft ondergaan zijn namelijk al immens. Een paar jaar geleden stonden er zelfs nog geen vuilnisbakken op straat; iedereen gooide het afval gewoon op straat. In taxi’s mag sinds de Olympische Spelen niet meer gerookt worden, en oude wijkjes in de stad hebben stuk voor stuk plaats gemaakt voor hoogbouw. Beijing is in hoog tempo aan het moderniseren. Londen, New York, Shanghai; Beijing wil er ook bij gaan horen. Voordat deze stad voorgoed gedomineerd wordt door McDonalds en Starbucks wil ik zo veel mogelijk rondlopen in de buurtjes waar het eten met -10 graden nog steeds op straat wordt gemaakt, en waar ‘de printshop’ de huiskamer van mijn achterbuurvrouw is, die een computer en een printer in haar bezit heeft. Waar de kok met een peuk in zijn mondhoek het deeg staat te rollen en waar je naar de kont van degene naast je kijkt als je naar het openbare toilet gaat. Het zijn namelijk juist die ‘jeugdpuistjes’ die Beijing zo leuk maken. Het zijn juist die minder mooie dingen die mij verliefd maken op deze stad.

Het proces van ‘thuis voelen’ is voor iedereen anders. Simon zegt dat hij de eerste week in China al meteen op rozen zat, hij was meteen ‘thuis’. Voor mij is dat moment nu pas aangebroken. De eerste maand vind je alles leuk en spannend in een nieuwe stad. De maand er na begin je een beetje te wennen. Daarna begin je tegen obstakels aan te lopen. Voor mij viel de vierde maand me zwaar. Het was het punt waar mijn ‘gewone’ leven in deze stad was begonnen; de nieuwigheid was er af. Als je je dan bedenkt dat je nog meer dan acht maanden te gaan hebt kan het even slikken zijn. Maar als je door dat punt heen breekt begint het allemaal pas voor ‘echie’. Nu begint het leven hier pas zijn vruchten af te werpen. De groenteboer kent me, de vrouw van het dimsum tentje zet mijn lievelingsgerecht automatisch op tafel en de pizzajongen weet nu eindelijk waar ik woon als ik op een brakke zondagmiddag mijn junkfood bestel. Ik probeerde aan Simon uit te leggen dat het vooral de tandenborstels in mijn badkamer zijn die mij thuis doen voelen. Ze zijn van mijn vrienden die af en toe op mijn bank slapen en hier nu hun eigen tandenborstel hebben. Er staan er nu vijf in mijn beker op de wastafel.Als ik er naar kijk word ik plots heel blij. Geluk zit ‘m soms in de meest simpele dingen.

Zo nu en dan zie ik hier mensen die zich klaarblijkelijk zo thuis voelden in China dat ze hier soms 5, 10, of al 15 jaar wonen. Ik krijg altijd een dubbel gevoel bij deze mensen. Sommigen hebben het prima voor elkaar: goede baan, leuke vriendengroep en een perfecte kennis van de taal. Maar steeds verschijnt het beeld van de Dikke Bebaarde Professor weer in mijn hoofd. Het is een man die rondloopt met een zwart koffertje en altijd twee markers en een vulpen in zijn rechterborstzak heeft. Ik zie hem in de cafés waar ik kom. Soms zie ik hem ’s middags in de favoriete tent van internationale studenten zitten. Tussen de giechelende hoogblonde Amerikaanse meisjes en Koreaanse studenten zit hij in z’n eentje aan een tafel achter een laptop te werken. Soms zie ik hem op straat lopen. Zijn lengte, dikke buik en grijze baard maken dat hij meteen opvalt in de menigte van kleine, zwartharige Chinezen. Het aanzicht van de Dikke Bebaarde die bijna de ruimte lijkt op te vullen in een klein Chinees eetstalletje maakt me een beetje mistroostig. Maar als ik om twaalf uur ’s nachts met klasgenoten nog zit te studeren in een 24-uurs studentencafe, en ik de Dikke Bebaarde op de bank in de hoek zie slapen -mond wijd open, boek op schoot-, dan word ik pas echt een beetje triest.
De buitenlander in Beijing, met een Chinese partner of niet, met Chinese kinderen of zonder, met een heel leven hier of niet, blijft toch ergens iets aandoenlijks houden. Die ene belangrijke persoon, een moeder, een dochter, een beste vriend, is namelijk nog altijd aan de andere kant van de wereld. De gesprekken aan de telefoon zijn niet toereikend om uit te leggen hoe het leven hier is. Starbucks zal nooit hetzelfde voelen als de koffie thuis, en een Chinees zal je nooit worden.
De aandoenlijke buitenlander kom je vooral tegen in ‘Jenny Lou’s’, een supermarkt in de ambassadewijk, waar producten uit Europa en Amerika te koop zijn. Vol nostalgie zie je de blanke zakenman naar een pak Kellogs Cornflakes kijken terwijl een Italiaanse vrouw met een half-Chinees kindje aan haar arm zakken pasta in haar karretje laadt.

Je bent een ‘wereldburger’ wanneer je je meer verbonden voelt met de mensheid in het algemeen, dan dat je je verbonden voelt met je eigen nationale identiteit.
Breng een middagje door in Jenny Lou’s, en je zal het zelf merken.
De wereldburger bestaat niet. De mensen die zeggen geen band te voelen met hun thuisland, omdat zij overal ter wereld kunnen leven, moet je vooral wantrouwen. Dat zijn ongetwijfeld de ergste niet-wereldburgers, die thuis heimelijk zitten te janken boven een potje pindakaas.

Het is inmiddels alweer 2009. Kerst en Nieuwjaar zijn hier bijna geruisloos voorbij gegaan en de Tijd raast maar door. Het eerste semester is afgelopen en ik zit al bijna op de helft van mijn verblijf in China. Wat een cliché, maar wat gaat de tijd snel. Hier op straat lijkt het allemaal nog tien keer erger. Het verkeer raast, de mensen schreeuwen, auto’s toeteren. Fietsers voor je, motors achter je, verkopers met hun waar aan elke kant van de weg. De stad is 24 uur lang in beweging en brengt onrust in je hoofd, in je lijf, in je oren.
Maar dan, op het midden van de dag, komen de mannetjes in blauwe pakken soms opeens uit hun spoorweghuisje, en zwaaien met de rode vlag. Er komt een trein aan. Dwars door de stad heen. De spoorboom komt naar beneden, de alarmbel rinkelt. En dan, opeens, een oorverdovende stilte in Beijing.
Tientallen auto’s, fietsers, en voetgangers wachten voor de spoorweg. Het heeft even geen zin meer om te haasten naar hun werk, naar hun les, naar hun huis. Het toeteren is gestaakt, en er lijkt bijna een soort sereniteit over het kruispunt neer te dalen. De mannetjes staan in hun blauwe pakjes plechtig naast de rails. Mensen turen van boven een brug naar de trein die in de verte aankomt. Ik adem diep in, en uit. Even rust. Ik laat mijn ogen glijden langs de mensen die naast mij staan te wachten. Dit zijn de mensen die, samen met mij, dag in, dag uit dezelfde spoorweg overgaan. Zijn het normaliter niet meer dan obstakels die ik met mijn fiets moet omzeilen, nu hebben zij een gezicht. Een oude man met boerenpet glimlacht even naar me en knikt vriendelijk, alsof hij mijn gedachtes heeft gelezen en hetzelfde voelt.
Dan dendert de trein razendsnel voorbij en gaan de spoorbomen weer open. Het moment is in een klap voorbij en iedereen gaat weer door, snel snel snel, zo snel als de tijd voorbij gaat.
Het is misschien helemaal niet zo gek, om af en toe eens stil te staan voor de spoorweg en te bedenken waar je nu eigenlijk mee bezig bent, en om simpelweg even diep adem te halen.
Ik glimlach en stap op mijn fiets.
Tandenborstels, jeugdpuistjes en spoorwegmomentjes. Het is waar, ’t zijn de kleine dingen die ’t doen. Je kunt soms geluk vinden in de gekste dingen, op de gekste plaatsen. In 2009 blijf ik mijn geluk voorlopig nog even in de kleine dingen van de grote stad Beijing vinden.

Gelukkig nieuwjaar,

Manya

3 januari 2009

Print Friendly, PDF & Email

Tags: ,

Post a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Top