Beijing VI: Rozenblaadjes

Beijing VI: Rozenblaadjes

beijing4rozenblaadjes

Een beetje stinken is soms best lekker. De winter heeft plaatsgemaakt voor een zinderende hitte, en plotsklaps zit ik zonder handschoenen aan op de fiets naar school. Ik ben in mijn stad, in mijn Beijing, in mijn wijk, op de vertrouwde weg van huis naar de universiteit. Voor ik de hoek afsla bij het grote Google gebouw word ik weer overvallen door het vleugje rioollucht, dat ik daar altijd op hetzelfde stukje, op hetzelfde moment vind. De lucht roept van alles bij me op, maar ik associeer het vooral juist met de weg die ik elke dag naar school afleg, met de stad waar ik van hou en de routine in mijn Chinese leven.

Vrijdagavond, elf uur. Ik sta op een hip feestje in het beste restaurant van Beijing, en mijn afspraakje is nog aan het werk. Onzeker sta ik met mijn telefoon in mijn handen, omringd door mannen met trendy hoedjes en vrouwen met bontjasjes. Aftershave en bloemenparfum. Een fotograaf zet gewillige ‘socialites’ met getuite rode lippen op de foto voor de komende Time Out Beijing terwijl de ober om de vijf minuten checkt of alle asbakken schoon zijn en alle champagneglazen gevuld zijn. Een gastdame rangschikt rozenblaadjes op de bar. Ik weet me even geen houding te geven en voel me bekeken en zwaar underdressed in mijn ‘I love Rock’ t-shirtje en korte rokje. Ik pak een gratis cocktail van een dienblad en nip quasi-nonchalant van het drankje, alsof ik elke dag in mijn eentje in sterrenrestaurants rondhang. Een man in zwart pak, rond de 45, loopt op me af. ‘I love rock?’ is zijn flauwe openingszin, maar ik ben allang blij dat ik mijn ik-ben-alleen-maar-het-kan-me-niks-schelen act even kan laten rusten.

Expats, buitenlandse zakenmensen, lijken keer op een keer hetzelfde verhaaltje af te spelen. Beijing, it’s the place to be. China, it’s happening here. India, is the next place to go. Ik probeer mijn gaap te onderdrukken en flap er snel uit dat ik mensen die jarenlang van plek naar plek verhuizen zonder zich ooit te verdiepen in het land waar ze wonen, soms een beetje triest vind, omdat ze vaak geheimen van thuis ontvluchten en continu op zoek zijn naar hun wortels, die ze nergens anders dan thuis kunnen vinden. De man neemt een trekje van zijn sigaret en zegt, met een pijnlijke uitdrukking op zijn gezicht, dat hij al 20 jaar niet meer terug in Engeland, zijn thuisland, is geweest. Het gesprek valt stil. Ik neem snel een grote slok van mijn cocktail en verval per direct weer in mijn quasi-nonchalante modus.

Het is fijn om af en toe een beetje blase te doen. De expats van Beijing zijn belangrijk voor de stad, en er zit ook waarheid in hun woorden. It’s happening in Beijing. Kleine Chinese eettentjes worden razendsnel omgetoverd tot grote Kentucky Fried Chickens, winkelcentra schieten als paddestoelen uit de grond en Westerse bedrijven zetten hun naam in Beijing op de kaart. Grote culinaire chefs openen hier de deuren van peperdure restaurants waar de plaatselijke withoofden al nippend aan Moët&Chandon kunnen dansen op de Black Eyed Peas. Het is een lifestyle op zich. Velen uiten hun mening over China terwijl ze met een sigaar in een leren fauteuil in een van de dure bars zitten, waar je zelfs in de asbakken nog rozenblaadjes vindt. Maar dat is het hem nou juist. Beijing bestaat niet alleen uit rozenblaadjes. Je moet het riool geroken hebben voor je de stad een beetje kan leren begrijpen.

Ik had de geuren wel weer een beetje gemist. Tussen januari en februari had ik 1,5 maand geen colleges omdat heel het land in de ban was van Chinees Nieuwjaar. Voor de meeste mensen is dit de enige kans in het jaar om hun familie in andere delen van het land te bezoeken. Studenten kunnen eindelijk weer eens naar huis, wat soms betekent dat ze een hele dag met de trein moeten reizen. Een voor een zag ik mijn buren vertrekken met grote tassen. Elke ochtend liepen mensen met koffertjes op straat richting vliegveld of station. Dagelijks werd ik wakker van het vuurwerk dat de buurtkinderen achteloos rondstrooiden. Toen het fruitmannetje en het buurtsupertje snel na elkaar ook de deuren dichtgooiden, en ik alle films in mijn kast al twee keer had bekeken, vond ik dat het voor mij ook de hoogste tijd was om het mistroostige en verlaten Beijing even te ontvluchten. Toen mijn vriendinnetje Tijger (volgens haar Chinese horoscoop) me uitnodigde om met haar familie Nieuwjaar te vieren bedacht ik me geen seconde en boekte een vlucht.

De thuishaven van Tijger is Haerbin: een stad in het noordoosten van China, tussen Noord-Korea en Syberie in, die vooral bekend staat om haar ijzige temperaturen, die in januari zo tussen de -15 en -30 graden schommelen. In Haerbin heb ik kou leren kennen, en warmte leren waarderen, maar vooral heb ik me daar gerealiseerd dat hoewel cultuurverschillen soms heel groot kunnen zijn, we overal ter wereld ook hetzelfde zijn. Tijger gunde me een volle week een kijkje in haar familie. Moeders maken zich altijd zorgen om dochters, vaders praten altijd over toekomstplannen, tantes zijn altijd een beetje zus en beetje zo, en iedere familie heeft zo zijn eigen shit.
Zo schoof ik op een ijskoude vrijdag aan aan een enorme tafel met de familie van Tijger, waar bij haar eigen ouders vanwege gecompliceerde vetes de grote afwezigen waren. Blijkbaar geldt in China ook dat je familieleden niet altijd je beste vrienden zijn.

De eet- en drinkcultuur van China is een boek op zich. Tafelzitting is uiterst belangrijk, en anders dan in Nederland. Zo zit de belangrijkste gast in de verste hoek van de tafel, zodat de rekening hem nooit zal bereiken, of borden niet via hem doorgegeven hoeven te worden. Gespreksonderwerpen zijn voornamelijk het weer, het eten en het drinken. Vooral het drinken is van uiterst belang. Als een van de mannen aan tafel het glas heft, moeten wij ook allemaal ons glas (sterke) Chinese drank achterover slaan.

Binnen een half uur ben ik al behoorlijk tipsy. Het eten komt in rap tempo op tafel en er worden me net zo lang geroosterde zwarte zijderupsen aangeboden tot ik niet meer kan weigeren. Ik voel me opeens een peuter die in een kinderzitje aan tafel zit. Ik snap niet alles wat er gezegd wordt of wat er van mij verwacht wordt. Mag ik dingen wel weigeren? Moet ik nou juist wel of niet mijn bord helemaal leeg eten? Moet ik die garnaalschillen nou ook op de grond gooien of hoor ik dat nu juist niet te doen? Ik zeg vaak ‘ja’ op vragen die me gesteld worden omdat ik niet durf te zeggen dat ik het niet snap, en soms wordt er met luid gelach gereageerd. Ik voel me klein en nederig. Terwijl ik net op zo’n knisperige rups zit te knabbelen staat een van de ooms opeens op. Hij heft zijn glas naar de grootvader en geeft een speech over zijn wensen voor het nieuwe jaar. Na zijn toespraak klappen we en drinken we ons glas weer leeg. Tijger stoot me aan en adviseert me stiekem water in mijn glas te doen. Zij speelt namelijk ook vals. Dan staat de volgende oom op, dan tante, opa, en dan wordt er van mij opeens verwacht dat ik hetzelfde doe. Ik schud snel van nee, maar daar wordt geen genoegen mee genomen. Ik heb geen idee wat ik moet zeggen, of hoe ik het moet zeggen. “Zing dan maar een liedje!”, roepen ze in koor. Een liedje. In het Nederlands, wel te verstaan. Gegeneerd zing ik het couplet van ‘Dromen zijn Bedrog’ terwijl zo’n vijftien Chinezen me lachend aankijken. Als het over is neem ik zo snel mogelijk weer een slok van mijn drankje en stop zoveel mogelijk rupsen in mijn mond; dan hoef ik ten minste niks meer te zeggen.

“Fuck you,” zegt ze, terwijl ze een haastige trek neemt van haar menthol sigaret: “It’s Saturdaynight, and, more important, it’s Saturdaynight in Shanghai. You’re staying.”
Het is Sabrina, mijn oude schoolvriendinnetje, die spreekt. Ik sta op de gang met onze koffers, samen met Sharon, die vanuit Nederland mee op reis is. We hebben Shanghai voor een weekend aangedaan en staan op het punt om de stad te verlaten voor warmere oorden, maar Sabrina laat het niet toe. Ik had haar al 1,5 jaar niet meer gezien, en onze tijd samen in Shanghai leek nog als de dag van gisteren. Overdag naar school, ’s nachts de stad in. We waren onafscheidelijk. Sabrina laat me niet vertrekken voor ik nog een keer een avond met haar ga stappen. Sharon en ik kijken elkaar even vragend aan, maar de koffers worden alweer terug in de slaapkamer gezet. “You’re staying. That’s it. I’ll let you two borrow some high heels,” zegt ze vastbesloten.

En zo staan we die avond op een exclusief feestje op de 25e verdieping van een futuristisch gebouw. De ruimte is enorm, en in de hoek staat een groot aquarium met haaien. We worden omringd door buitenlanders die verveeld aan hun drankjes nippen, maar het moment dat er een camera verschijnt beginnen ze te lachen en kijken guitig in de lens. Dit is Shanghai: alles lijkt wel een groot Kodak-moment. Sabrina trippelt door de ruimte, van haar vriendje die achter de DJ-tafel staat naar haar kennissen in de PR-wereld. Ik hou het niet meer uit op mijn hoge hakken en gooi ze demonstratief in een hoek. De muziek gaat op het hoogste volume en de drank vloeit rijkelijk. Ik spring samen met de Ethiopische beeldschone H. op een van de salontafels en ga los op de muziek. Een Kodak-waardig-moment. Al snel worden we door de bouncers van de tafel afgejaagd. Sharon en ik vinden het wel weer tijd om naar huis te gaan, maar Sabrina laat ons nog niet gaan. We gaan naar de volgende en volgende discotheek. Overal weer die mooie mannen met grote portemonnees en te grote attitudes, en die meisjes met kokette rokjes en hoge pumps. Als ik om zes uur ’s morgens nog aan een Duitse man van rond de 50 sta uit te leggen waarom ik niet met hem mee naar huis ga, vinden we het echt wel welletjes geweest. Discotheek uit, McDonalds in, en pas als licht wordt liggen we tollend in ons bedje.

Toen ik de volgende dag met een enorme kater in het vliegtuig stapte, wist ik weer hoe het was. In de stad Shanghai leef je wel, maar word je vooral geleefd. De tijd ging, zoals altijd, weer veels te snel voorbij. Ach. Gelukkig hebben we de foto’s nog.

Na de ijspaleizen in Haerbin, de cocktails in Shanghai en de hemels mooie bergen in Zuid-China, moest ik in februari weer even mijn draai vinden in het droge en stoffige Beijing.

Nu woon ik alweer zo’n negen maanden in China. En hoe meer ik gewend ben aan mijn leven hier, hoe minder ik te vertellen heb. Ik word me soms pas bewust van hoe ik me aangepast heb aan het leven in deze enorme stad, als anderen me er op wijzen. Ik ga kriskras door het verkeer en schroom niet om andere fietsers af te snijden of voetgangers aan te rijden. Ik kijk allang niet meer naar de rode of groene lichten. Ik heb geaccepteerd dat toegang tot het Internet zo z’n beperkingen heeft. In een restaurant roep ik luidkeels mijn bestelling naar de ober aan de bar. Ik pieker er niet meer over om meer dan zeven euro voor een t-shirt te betalen. Het maakt me niet meer uit dat ik 45 minuten moeten reizen naar mijn favoriete bar, of dat ‘om de hoek’ altijd een half uur lopen is. Het is gewoon geworden dat studenten of leraren op de gang staan te roken. De fietsenmaker en groenteboer zijn mijn thuishaven.
Ik zit in de flow van de stad.

En toch, heel af en toe, sta ik even stil op straat, en kan ik bijna niet bevatten wat er met dit land gebeurt. Alle oudere mensen die ik hier op straat zie lopen, hebben dingen meegemaakt en gezien waar liever niet meer over gesproken wordt. In een periode van twintig jaar hebben zich hier veranderingen afgespeeld die niet vergelijkbaar zijn met die van een stad als Amsterdam of Parijs, en die veel verder gaan dan de introductie van nieuwe technologie of infrastructuur. De dingen die ik daar over te zeggen heb kennen echter een eigen tijd en plaats, en noch die tijd noch die plaats is hier of nu.

Beijing word door velen bestempeld als een soort Wilde Westen. Alles is mogelijk, alles kan, als je maar een beetje binnen de lijntjes blijft. Een gouden regel die wij hier hanteren is dat je nooit moet vragen of iets kan of mag, maar het gewoon doen, want anders kom je terecht in het spinnenweb van ongekende bureaucratie. Zo vroeg ik aan het begin van dit semester of ik van klas mocht wisselen, omdat ik door een foutje in hetzelfde niveau als vorig semester was ingedeeld. Ik heb welgeteld drie dagen voor de deur van het administratiekantoor van de universiteit gezeten. Als ik ’s morgens werd opgebeld dat ik om negen uur langs moest komen, was de desbetreffende persoon er om drie uur ’s middags zelf nog niet. Huilen, roepen, jammeren: het maakt allemaal geen donder uit. De sleutel voor deze situaties is vooral geduld hebben en doen alsof het allemaal geen flikker uitmaakt. Maar het beste kan je gewoon voor jezelf uit zoeken wat je moet doen, en waar je moet wezen, want binnen het web der bureaucratie ben je in China nog altijd een van de 1,3 miljard.

In de tussentijd heb ik mijn ouders hier in Beijing kunnen ontvangen, en in twaalf dagen tijd een beeld kunnen geven van de stad en mijn leven hier. Van achteraf gelegen eettentjes tot de chique boulevards zijn we de stad rond gegaan, en besefte ik me weer opnieuw hoe veel gezichten deze plek kent. Beijing is wanorde en orde tegelijk, Beijing is rauw en fris, Beijing vergt tijd maar geeft er veel voor terug, Beijing is beeldschone paviljoentjes en oerlelijke flats, Beijing is zowel een wandelstok als een snelle auto. Beijing stinkt naar de rook, de pis en de uitlaatgassen. Beijing is geen rozengeur. Beijing is echt, en bovenal, is Beijing uniek.

Een van mijn favoriete tentjes hier viel niet zo in de smaak bij mijn ouders. Het is de Geheime Bar, waar in een grote verborgen huiskamer drie pooltafels staan, en mensen onderuit gezakt zitten op een van de vele afgerachte banken en op hun gemak een biertje drinken. Een heerlijke plek, waar vijf katten rondlopen die tegen elke willekeurige stoel aanpissen. “Stinkt hier wel een beetje,” zei mijn vader. Ja, pap, het stinkt hier wel een beetje. Maar een beetje stinken hoort er nou eenmaal bij, en, zeg nou eerlijk, dat is soms toch ook best wel lekker.

Print Friendly, PDF & Email

Tags:

Post a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Top