Singapore Part I: Multiculti Leeuwenstad

singapore1Ergens, diep in Zuidoost-Azië, ligt een eilandje dat zó klein is dat je het nauwelijks kunt vinden in je atlas. Het is dat hele kleine stipje, net onder Maleisië en net boven Indonesië. Kun je het vinden? Zie je het?
Dit is Singapore, Singapura, oftewel: ‘De Stad van de Leeuw’. Het verhaal gaat dat een prins uit Maleisië hier in de dertiende eeuw aanspoelde nadat hij schipbreuk geleden had. Het eerste wat hij hier zag was een leeuw, en daarom noemde hij het de ‘leeuwen-stad’; Singa-pura.

Het eerste wat ik zag toen ik aankwam in Singapore was geen leeuw, maar een waarschuwingsbordje. Singapore is waarschijnlijk het enige land ter wereld waar je zóveel boetes kan krijgen voor de meest uiteenlopende dingen, en overal waar je komt hangen dan ook bordjes om je hier op te wijzen. Je krijgt hier boetes voor eten of drinken in de trein, kauwgom kauwen, papiertjes op straat gooien, en zelfs voor het niet doortrekken van een openbaar toilet. Er hangt je hier tevens een boete boven het hoofd voor het hebben van orale seks, want dat is in Singapore ook verboden. Je kunt echter beter een boete krijgen dan een straf, want daar word je hier niet blij van. Voor vandalisme, zoals het spuiten met graffiti, krijg je namelijk zes stevige stokslagen. Voor het gebruik van drugs krijg je negen stokslagen. Voor het handelen in drugs zal je hier zeker een strop om je nek krijgen: je zal de Changi Prison dan niet levend verlaten.

Je begrijpt dat je mij hier dan ook niet zult vinden met kauwgum in mijn mond, een graffitispuitbus in mijn hand, of wiet in mijn tas. Ik loop liever braaf en onschuldig over de campus van de National University of Singapore (NUS), waar ik de komende maanden zal verblijven. Hier volg ik mijn colleges en hier woon ik ook. De campus van de NUS kan het beste gezien worden als een klein stadje. Tussen de diverse faculteiten en studentenhuizen rijden gratis bussen. Er zijn kantines, sporthallen, winkeltjes en parkjes. Net echt eigenlijk. De universiteit is enorm. Mijn faculteit is die van Arts and Social Science. Vanwege het tropische weer in Singapore is het niet nodig om dichte gangen te hebben, dus je loopt vanaf buiten zó je klaslokaal binnen. Op weg naar college loop je langs palmbomen en grasveldjes waar de Aziatische musjes je vrolijk toezingen. Je krijgt er bijna zin in om een van de nerds te worden, en de hele dag aan een van de picknickachtige studeertafeltjes je huiswerk te doen in de buitenlucht.
Ik woon in Prince George Park Residence, het nieuwste wooncomplex voor studenten. Hier wonen meer dan 3000 studenten. Naast dit wooncomplex heb je nog zeven andere studentenhuizen die allemaal verspreid zijn over de campus; ik schat dat er in totaal bijna tienduizend mensen op de campus wonen. Mijn kamertje heeft een eigen douche en toilet, en tevens een airco, en daarmee behoor ik tot de lucky few van de campus. Er zijn namelijk slechts 400 van dit type kamers en je moet mazzel hebben om de kamer toegewezen te krijgen. Bij andere kamers moet je douches en toiletten delen, en is er geen airco. Er zijn ook mensen die een kamer moeten delen met een vreemde. Ik sprak een jongen uit Nederland die geen kamer voor zichzelf kon krijgen. Hij deelt nu een kamer met een dikke man uit Rusland, een eeuwige student, die zwaar religieus is. Wat het geloof precies was, dat wist de Nederlandse jongen ook niet, maar hij wist wel dat er veel gebrom en gerochel aan te pas kwam. Van een andere jongen uit Zweden hoorde ik dat het ook niet altijd even plezierig is om een toilet te delen. Hij deelt een toilet met tien Chinezen, die er volgens hem een sport van maken om op de wc-bril te plassen. “Het is echt geen pretje,” vertelde hij mij, de wanhoop in zijn ogen. Door dit soort verhalen blijft mijn waardering voor mijn eigen kamertje alsmaar groeien. Het is heerlijk.

Natuurlijk blijf ik niet elke dag alleen maar rond de campus hangen. Er valt genoeg te ontdekken op dit eiland. Ik ben met de metro slechts tien minuten verwijderd van het centrum van de stad. Het ritje naar de stad is eigenlijk al leuk. Het moment dat ik aankom op het metrostation kan ik me vermaken met de bordjes die hier hangen:

Do NOT go down the tracks. Fine: 5000 S$

Do NOT step beyond the yellow line until train stops. Fine: 500 S$

NO Smoking. Fine: 1000 S$

NO Eating or Drinking. Fine: 500 S$

NO Flammable Liquid or Gas. Fine: 5000 S$

En daar naast:

Value Life. Act Responsible.

Behalve deze bordjes hangen er ook advertenties van de staat die melden dat kleine meisjes niet met vreemde mannen in een lift mogen stappen, en dat je geen dure juwelen moet dragen want die zouden wel eens gestolen kunnen worden. Uit al deze dingen merk je dat Singapore een nanny state is: de staat ziet het als zijn taak om de bevolking op te voeden. Singapore is eigenlijk ook pas een kleutertje; in 1965 is het land onafhankelijk geworden en de leeuwenstad is daarmee pas 41 jaar oud. Singapore is altijd een kolonie geweest van de Britten en die hebben het land welvaart gebracht. Nu moet Singapore het zonder de Britten doen en dat gaat ze goed af: Singapore is namelijk hét voorbeeld van een geslaagde multiculturele samenleving.

Singapore is een land waar Maleiers, Chinezen, Indiërs, Euraziaten (Europees-Aziatisch), Arabieren, en Japanners allemaal vreedzaam naast elkaar leven. De culturele groepen van Singapore verschillen allemaal enorm van elkaar, maar toch is Singapore een multicultureel succesverhaal. Ik vind dat je pas van een multiculturele samenleving mag spreken als de verschillende culturen ook echt interactie hebben. Ik heb het dus niet over Blank Heemstede en de Zwarte Bijlmer. De reden dat er in Singapore interactie is, is omdat de Singaporese overheid een speciaal systeem hanteert bij het mengen van bevolkingsgroepen. De meeste Singaporesen wonen namelijk in flatgebouwen, en velen daarvan worden gesubsidieerd door de overheid. Het systeem is dat elk flatgebouw een reële weerspiegeling van de bevolking moet zijn. Zo moet 43% bijvoorbeeld Chinees zijn, 15% Maleis, en 10% Indiaas. Als er een Arabische familie uit de flat gaat, moet er ook weer een Arabische familie in komen trekken. Zo worden de bevolkingsgroepen geconfronteerd met de lucht van de curry chicken van de buurvrouw, de wierrook van de onderburen, de jengelende muziek die door de gangen galmt, de Ramadan taferelen van de bovenburen. En zo leren mensen van jongs af aan elkaar te respecteren en te begrijpen. Moslims, Boeddhisten, Hindoes, en Christelijken gaan hier namelijk moeiteloos samen. Pal naast éen van de drukst bezochte boeddhistische tempels van Singapore staat een Hindu tempel. De Chinezen die met hun wierrook uit hun tempel komen, lopen langs deze kleurrijke Hindu tempel en staan ook daar even stil om hun wierrook te branden en een gebedje te doen. Het is geen Hindu gebruik om wierrook te branden, maar hier worden de grenzen vervaagd van wát bij wat hoort, en zo wordt alles eén grote multiculturele brei. De stad heeft een paar buurtjes waar de winkels en restaurants zijn toegespitst op eén bevolkingsgroep. Zo haalt iedereen z’n stoffen in Arab Street, juwelen in Little India, en eten in China Town.
Deze ‘multiculturele brei’ geldt niet alleen voor religie, het geldt ook voor taal. Je kan je voorstellen dat de verwarring groot is als er in eén land zoveel talen gesproken worden. Singapore heeft vier officiële talen (Mandarijn, Engels, Indiaas, en Bahasa). Hoe weet je nu wat je tegen het meisje achter de counter bij de McDonalds moet zeggen? Daar hebben de Singaporesen hun eigen taaltje voor, dat men grappend Singlish noemt: de Singapore variant van het Engels. Ze praten Engels op een manier die voor mij bijna onverstaanbaar is, en gooien er hier en daar wat Chinese of Maleise woorden doorheen. Iedereen doet gewoon z’n best om elkaar te verstaan en spreekt een beetje van alles. Zo komt het allemaal dik in orde.

De colleges zijn inmiddels weer begonnen hier. De internationale studenten van over de hele wereld zijn de campus komen binnenstrompelen met enorme koffers en hebben hun kamertje ingericht. Het Grote Welkomsfeest voor alle internationale studenten is ook weer achter de rug. Dit is de periode waarin iedereen nog op elkaar afstapt; “What’s your name? Where you from?”, en binnen drie minuten worden de telefoonnummers al uitgewisseld. Ik sta overal ingeschreven met mijn eerste naam, Anita. Als ik mijn telefoon opneem met ‘Manya’ en het is iemand van de universiteit, dan wordt er naar ‘Anita’ gevraagd. Als het een student is en ik neem op met ‘Anita’ wordt er naar ‘Manya’ gevraagd. Verwarring alom. Voorlopig ben ik bij colleges en op de campus maar gewoon Anita, en bij contacten leggen Manya. En wat een lol is dat, contacten leggen. Het lijkt zo makkelijk te gaan nu. Maar volgens een Noorse student die hier al een jaar zit, moet je snel zijn: de magie van het contact leggen in een minuutje is snel voorbij. Je moet nu pakken wat je pakken kan, zei hij, want binnen een paar dagen heeft iedereen z’n maatjes gevonden en kom je er niet meer bij. Droevig, maar waar. Want wat als je nu net die stomme Amerikaan en die slome Duitse als eerste hebt ontmoet? Zit je daar dan de komende maanden mee opgescheept? Ik heb naast de stomme Amerikaan en de slome Duitse gelukkig ook wat leukere mensen ontmoet, onder wie een paar Singaporesen. Het leukst blijft het natuurlijk om met mensen om te gaan van hier.

Gister sprak ik met Ian, een Singaporese jongen die ook op de NUS studeert. Ik sprak met hem over de overheid, en of hij er niet gek van werd dat Singapore zo om regeltjes draait. “Je hebt toch wel eens gehoord van ‘Big Brother is watching you’?” vroeg hij me. Ik knikte. “Dat is Singapore ten voeten uit. Je wordt hier continu in de gaten gehouden. Je mag geen kritiek uiten op de overheid.” Hij keek me serieus aan. Ik keek hem ongelovig aan: “Hoe kan dat nou? Singapore is een van modernste steden die ik ooit bezocht heb! Je kan hier toch zeker wel een debat groepje beginnen met wat studenten? Of protestacties?” Hij schudde zijn hoofd en kwam iets dichter bij me zitten: “Mijn vriend heeft vorig jaar een soort van anti-campagne gehouden tegen de overheid. Voor meer vrijheid van meningsuiting.” Hij was even stil. “Nou. Dat is toch goed?” riep ik. Hij schudde weer zijn hoofd: “Hij is nu opgenomen. Mental institution, weetjewel.” Ik kon mijn oren niet geloven. Een gekkenhuis? Voor een protesterende student?! “In de inrichtingen die eigenlijk voor mensen met psychische problemen zijn, zitten in Singapore veel mensen die kritiek op de overheid hebben geuit. Die worden daar geplaatst.” Ik keek hem nog eens ongelovig aan, maar hij keek me serieus aan. Ik stortte me maar vlug op mijn biertje want een naar gevoel bekroop me. De leeuwenstad heeft naast het zonnige exotische beeld dus ook een donkere kant waar ik in het studentenleven de komende maanden zeker nog meer over te horen zal krijgen. Ik hou mijn oren open.

Verder geniet ik gewoon van het land dat zowel Westers als Aziatisch is, waar naast de Gucci en Louis Vuitton winkels de hawker eetstalletjes staan waar de keuken van heel Azië aan je voeten ligt. Waar je in discotheken nog een vrouwtje hebt die je bij het toilet een handdoekje aanreikt. Waar het zo schoon is dat je praktisch van de vloer kunt eten.
Het mooie Singapore van de studente die nu even Anita heet.

(08.2006)

Print Friendly, PDF & Email

Tags:

Post a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Top